Pier Meijer is bij het begin van de Tweede Wereldoorlog bedrijfsleider van de Van Ravesteijnwerf in Leidschendam. Zijn broer Jo werkt er als monteur. Zij komen in contact met Anton Schrader, die samen met schipper Kees Koole mensen helpt om naar Engeland te vluchten. Schrader koopt bootjes voor de overtocht naar Engeland aan, die vervolgens naar de Van Ravesteijnwerf worden gebracht. Daar worden ze door de gebroeders Meijer zo goed als mogelijk zeewaardig gemaakt. Met een verzwaarde kiel, een goede schroef, een zeil en een zwaardere motor, soms een ingebouwde motor uit een auto. Als de bootjes klaar zijn, worden ze door Kees Koole in zijn schip de "Nooit Volmaakt" naar het Haringvliet getransporteerd. Daarvandaan wordt dan begonnen met de oversteek naar Engeland. Pier en Jo Meijer doen dit werk in een loods voor de winterberging van jachten, vaak 's-avonds en in het weekend, zodat het overige personeel er niets van merkt. Pier is in die tijd bezig met de bouw van een bootje voor zich zelf; dat doet hij op een zolder in die loods. Zo ontstaat er geen argwaan bij anderen. En als er al naar gevraagd wordt, is het antwoord dat het bootjes voor de voedselvoorziening zijn, waaraan Schrader met goedkeuring van de Duitsers medewerking geeft. Wanneer een bootje klaar is, komen de Duitsers met een vrachtwagen langs om benzine te brengen, in de veronderstelling dat het bootje voor de voedselvoorzening is.. Zelfs nadat Schrader zelf al naar Engeland is vertrokken, helpen de broers nog een vijftal Engelandvaarders met hun bootje zeewaardig te maken: John Osten, Edzard Moddemeijer, Hein Fuchter, Henk Baxmeier en Flip Winckel. Zo wordt de kleine motor van de boot ingeruild voor een 60 PK zware automotor. Het is het laatste bootje waarmee in 1944 suucesvol naar Engeland wordt overgestoken. In totaal hebben de broers Meijer een achttal bootjes zeewaardig gemaakt. Naast Nederlandse Engelandvaarders helpen ze hiermee ook een drietal neergehaalde piloten van de Royal Air Force terug te keren naar Engeland. Pier en Jo Meijer beginnen in 1947 een eigen werf: Jachtwerf Gebroeders Meijer, aan de Veursestraatweg in Leidschendam. Daarmee wordt een traditie in ere hersteld. Hun vader Johannes Meijer had in 1919 aan de Klein Plaspoelpolder 1 in het toenmalige Veur zijn "J. Meijer's Scheepsbouwwerf" gevestigd; midden in de crisisjaren, in 1933, had hij deze moeten verkopen aan Van Ravesteijn. De broers krijgen in 1953 het erelidmaatschap van Royal Airforces Escape Society. Wegens hulp aan de drie neergehaalde piloten van de Royal Air Force. Een Nederlandse koninklijke onderscheiding hebben ze nooit gekregen. Wel is in Leidschendam aan de Van Ravesteijnkade in 2013 een herinneringsbord geplaatst, dat de herinnering aan het bijzondere werk van Pier en Jo Meijer levend moet houden.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders